Wat donkere plekjes verborgen houden

Hier is alle ruimte om te spelen. Je bent helemaal vrij. Maar wil je overleven? Dan moet je één ding goed in je oren knopen: bij de donkere plekjes mag je nooit komen!

Onder de zwarte waterspiegel van de natuurvijver loert een listig en hongerig wezen. De ronddobberende eenden zijn haar grenswachters. Bij de lichtste versnelling van de hartslag onder de veertjes spitst zij haar oren. “Wie waagt zich nader?” De grenswachters peddelen naar je toe. Het wezen volgt de pootjes, in de donkerte onder hen. Alert. Altijd alert. Zodra je een stukje brood scheurt grijpt ze je bij de enkels. Ze grist je zo snel de diepste diepte in dat het water zich al boven je gesloten heeft voor een andere ziel het heeft kunnen opmerken. Het wateroppervlak is binnen vijf seconden weer strak. De grenswachters  hernemen in stilte hun plaats.

In het naaldbomenbos is het altijd nacht. Het bos trilt van ingehouden woede. Het bomenleger staat netjes in het gelid. Altijd paraat. Iedere doffe gedempte stap  wordt gelezen als een oorlogsverklaring. Eén stap, twee stappen, drie stappen… Zodra je voet een twijgje doet knappen ben je verloren. Dan werpen de houten soldaten zich op je neer.  Het bos schreeuwt zijn krakende splijtende stem: “Ik ben van mij alleen!” De enige getuige is een groep kraaien die in een moment van schrik als een wolk boven het bos verschijnt. Om weer rustig neer te dalen.

Had je dit vooraf kunnen weten? Nee. Het zijn dingen die je niet kunt vermoeden. Je moet alleen maar onthouden om nooit bij de donkere plekjes te komen. Donkere plekjes zijn verboden terrein.

Daarom heeft mijn hand het metalen hekje in de coniferenhaag nooit durven vastpakken. Achter het roestig groen verstopt de schaduw een vochtig pad met omhoog geduwd plaveisel. Links en rechts vormen wilde struikenbossen een donkere gang. Ergens houdt zich een bitter hartverscheurend verdriet verborgen. Dat voel je over het hek.

Nu heeft een zachte stem mij daarheen gebracht en mij gemaand om verder te volgen. Het is een stem die ik altijd gehoorzamen moet. Anders kan het niet. Zo stil mogelijk heb ik het hekje achter me gesloten. Want als je iets doet wat eigenlijk niet hoort, dan kun je betrapt worden. Je moet daarom proberen de schade te beperken.

We lopen, we stoppen. Dan reiken haar handen omhoog en onthullen de schat die de duisternis hier tussen het verdriet verborgen houdt. Geel en aanlokkelijk en blij. Een onweerstaanbaar lichtje in de schaduw: de verboden vrucht.

Hij wordt mij aangereikt. Niet door een duivelse slang, maar door de zachtste en liefste mens ter wereld. Alleen zij mag hem plukken. Ik niet. Ik houd de ovale vrucht voorzichtig tussen duim en wijsvinger tegen het bleke licht. Hij lacht naar me met een paarse blos, maar onthult zijn naam niet. Ik mag hem proeven. Het vruchtvlees smaakt honingzoet en sappig. Het flinterdun velletje dat zich daar doorheen mengt geeft een mild zuur accent. 

Oma vertelt dat deze pruimenboom vroeger van haar moeder was. Zij was toen een meisje zoals ik nu een meisje ben. Ik begrijp dat het bijzonder voor haar is om hier samen in de tuin waarin zij opgroeide te staan.  Er borrelen vragen op:  “Wat is er met jouw moeder gebeurd? Hoe was ze? En mis je haar? Heb je daarom geen vlechten meer?”

De vragen blijven stil tussen de takken hangen, ongeplukt. Vragen kunnen mensen nodeloos kwetsen. Wij praten niet over wie we zijn, maar over wat we doen. Daarbij kijkt mijn oma strak naar mijn mond als ik tegen haar praat. Haar lippen bewegen dan mee als in een playbackshow. Ik denk niet dat ze me goed kan volgen. Het is beter om zo weinig mogelijk te zeggen.

Dit maakt dat mijn herinneringen aan mijn oma vooral bestaan uit stukjes stomme film. Hoe we samen de rijke oogst van de moestuin verwerkten en de dingen die ze voor ons deed. Ze had een zorgzaamheid die veel verder ging dan die van andere mensen. Iedereen aan de ontbijttafel kreeg zijn eitje bijvoorbeeld exact zo gekookt als gewenst. En voor de beige Lada naar de kerk reed deed ze  alle moeite om de pepermuntjes die ze me zou geven tijdens de preek met haar handen in vier stukken te breken. Mijn opa werd er steeds ongeduldig van, maar het moest.

De herinnering aan ons onder de pruimenboom blijft één van de indrukwekkendste. Omdat oma me daar verbond met de generaties voor ons. Toen mijn voortuin vijf jaar geleden om een kleinblijvend boompje vroeg was de keuze dan ook snel gemaakt. Het moest een pruimenboom worden met gele vruchten om haar te gedenken.

Bij de aanplant van het laagstamboompje ‘Mirabelle de Nancy’ stond een buurvrouw van mijn grootmoeders generatie er schamper bij te lachen. “Een fruitboom in de voortuin, wat vreemd, dat hoort toch niet?” In de voortuin verwacht je inderdaad een boom die het oog van de buitenwereld streelt, maar dit is een boom die mijn binnenwereld goed doet. Op een ereplek in de volle zon bij het raam.

Trouw is het pruimenboompje. Iedere lente is ze wit van de bloesem en in de zomer hangt ze vol met kleine vruchtjes. Ze geeft en vraagt niets terug. Als mijn dochter opkijkt naar de gele schat, dan zie ik mijn oma in haar gezicht. Ik herken oma ook in het boompje zelf. Zwijgzaam en onvermoeibaar gul. Geven was mijn grootmoeders liefdestaal. Hier smaakt de liefde zoet. Ze doet je vergeten dat er donkere plekken bestaan.

Prunus insititia ‘Mirabelle de Nancy’. Foto Clare Gainey

8 comments

Geven, stilte en leven! Donker en licht en vooral liefde, wat een fijne Kerstgedachten.
Mooie dagen gewenst en ja…………het licht komt er al weer aan.
Lieve groet voor jou en de jouwen, Hetty

Leave a Reply